KNIESCHIJFCORRECTIE

Oorzaken en symptomen van knieschijfproblemen

Het patellofemorale gewricht, tussen knieschijf en dijbeen, moet tot acht keer het lichaamsgewicht dragen bij trappenlopen, afdalen, springen, landen en hurken. Er treden dan ook frequent overbelastingsproblemen op, wat kan leiden tot kraakbeenletsel en artrose (op latere leeftijd). Meestal kan dit niet-operatief behandeld worden. In extreme gevallen kan een arthroscopie of een knieprothese soelaas bieden.

 

Soms ontstaan de klachten echter op veel vroegere leeftijd (12 tot 25 jaar), door een aangeboren afwijking van het MPFL-ligament dat de knieschijf op zijn plaats moet houden. In dat geval is een chirurgische knieschijfcorrectie meestal noodzakelijk.

 

Globaal genomen zijn er dus drie types knieschijfproblemen:

1. Anterieure kniepijn

Anterieure kniepijn of pijn vooraan in het kniegewricht komt vaak voor, vooral bij jonge meisjes en dames (12-25 jaar). Meestal is er geen duidelijke aanleiding. Ook verder onderzoek (medische beeldvorming met radiografie, NMR-scan) toont meestal weinig duidelijke afwijkingen. De behandeling is dan ook veelal strikt niet-operatief.

Vaak vinden de symptomen hun oorzaak in overbelasting door slecht functionerende spiergroepen rondom de onderrug, heup, bekken en dijen. Een goed onderzoek en behandelingsplan voorgesteld door de kniechirurg met correcte informatie, gerichte kinesitherapie en eventueel voedingssupplementen zijn de ingrediënten van een correcte oplossing. Alhoewel vaak langdurig van aard, gaan de meeste klachten spontaan weg na de leeftijd van 25 jaar.

2. Artrosepijn

Artrose of kraakbeenslijtage wordt vooral gezien als een ouderdomsziekte maar kan, zeker rond het knieschijfgewricht, ook jongere mensen treffen. Het duidelijkste symptoom is een vage pijn vooraan de knie, die erger wordt bij het afdalen van trappen of zelfs bij lang zitten met geplooide benen.

 

Kraakbeenletsels ter hoogte van knieschijf (patella) en knieschijfgroeve (trochlea) hebben hun oorsprong in een duidelijk trauma, zoals een val op de knie of een knieschijfluxatie (zie onder: "Stabiliteitsproblemen"). Meestal zijn kleine traumata de oorzaak van versnelde artrose van het knieschijfcompartiment. Deze microtraumata zijn vaak opeenstapelingen van kleine letsels door minimale doch langdurige overbelasting, waarbij uiteindelijk kraakbeenletsel ontstaat. Dit is meteen de verklaring waarom de meeste kraakbeenletsels worden gezien op wat oudere leeftijd (35-45 jaar).

Behandeling van kraakbeenletsels aan het knieschijfcompartiment is meestal niet-operatief: kinesitherapie en infiltraties met hyaluronzuur of cortisone volstaan. In specifieke gevallen kan er een chirurgische indicatie bestaan met een arthroscopie (kijkoperatie), kraakbeenbehandeling of verplaatsen/ontlasten van de knieschijf (tuberositas-transpositie). In geval van eindstadium-artrose kan prothesechirurgie noodzakelijk zijn. Typisch zijn deze patiënten iets jonger (50-60 jaar) dan de klassieke prothesepatiënt (65+).

3. Stabiliteitsproblemen

Patellaluxatie (de knieschijf die "uit de kom" schiet) en -instabiliteit (het gevoel door de knie te zakken) treden meestal voor het eerst op bij jonge mensen vanaf 12 tot mid-twintigers. De onderliggende reden is meestal een anatomische, erfelijk bepaalde afwijking in de vorm van de knieschijf en/of de trochlea, de "goot" aan het uiteinde van het dijbeen waarin de knieschijf dient te glijden. In dat laatste geval spreken we van trochleodysplasie.

Een andere mogelijke afwijking is patella alta: een te hoge positie van de knieschijf t.o.v. het dijbeen (bv. door een te lang knieschijfligament). Ook een te laterale aanhechting van dit ligament geeft aanleiding tot patellaluxaties. Daarenboven kunnen afwijkingen in de rotatie van het dijbeen (heup-anteversie) en scheenbeen bijkomende reden zijn voor een ernstig anatomisch belast knieschijfgewricht. Dikwijls is er sprake van een combinatie van  bovenstaande afwijkingen. Een goede diagnosestelling is dan ook van essentieel belang. Uitzonderlijk kan een luxatie ook optreden bij iemand zonder risicofactoren, tijdens een sportincident met rechtstreeks trauma.

 

Hoe ernstiger de afwijkingen in de knie, des te vroeger zal de eerste luxatie optreden. En hoe jonger je bent bij een eerste knieschijfluxatie, hoe groter de kans dat het opnieuw gebeurt. Dat kan problematisch zijn, want elke luxatie resulteert naast de pijn van het trauma ook in blijvende beschadigingen aan het knieschijfgewricht. Meer bepaald lijdt het kraakbeen hieronder en scheurt het MPFL (Mediaal Patello-Femoraal Ligament), een bandje aan de binnenzijde van de knie dat de knieschijf verbindt met het dijbeen.

 

Het goede nieuws: een chirurgische reconstructie van het MPFL-ligament herstelt niet alleen de stabiliteit in het gewricht, maar leidt meestal ook tot spontane genezing van het kraakbeenletsel, dat bijgevolg niet apart hoeft behandeld te worden. De laatste jaren is de chirurgische aanpak van patellaluxaties dan ook geconcentreerd op de MPFL-reconstructie (zie onder), met uitstekende resultaten.

Hoe verloopt een MPFL-reconstructie?

Bij de reconstructie van het MPFL-ligament wordt meestal een eigen pees (her)gebruikt om de knieschijf te stabiliseren. Deze nieuwe link tussen knieschijf en dijbeen is vier keer zo sterk als het oorspronkelijke ligament. Meestal zijn de klachten hiermee voorgoed verholpen.

Soms staat de knieschijf echter te hoog of te veel zijwaarts om volledig gecorrigeerd te kunnen worden met deze techniek. In dat geval is bijkomende chirurgie nodig. Dit wordt voor elke patiënt individueel bekeken en besproken. Deze zogenaamde "tuberositas-transfertoperaties" zijn botingrepen en vergen een langere revalidatie.

Orthopedisch chirurg - gespecialiseerd in de behandeling van knieletsels

© 2018 Pieter Fret

www.pieterfret.com

  • Grey Facebook Icon
  • Grey LinkedIn Icon

AZ Alma app:

For professionals:

- Fellowships
- Visiting surgeons

- Assistants-in-training

Apply here